Strontogen uit de oude doos

Toen ik 22 jaar en 3 maanden oud was, was ik al even wijs als vandaag:

Als ik in gedachten vaak de term ‘losers’ hanteer wanneer ik aan een hoop ‘losers’ denk, ben ik dan aan het veranderen in een gefrustreerd wijf? Zo ja, gelukkig wel in een persuasief gefrustreerd wijf dat de ene helft van haar entourage ervan kan overtuigen dat een ander aandeel niet deugd.

Wat vaststaat, is dat die vermeende ‘losers’ één ding gemeen hebben: ranzige stront in hun ogen.

Ik besluit dat die stront daar voor mijn part gerust mag blijven hangen.

Ik haal geen truken meer boven om ogen te saneren. Alleen in heldere ogen wil ik nog verdrinken, als en slechts als mijn oranje bandjes hun laatste reddende lucht uitsputteren. Want met verdrinken heb ik het zelfs spreekwoordelijk moeilijk. Of is het ordinaire watervrees? Die koudwatervrees.

Reageer